Een effectieve behandeling voor een verzamelstoornis bestaat wel degelijk. Uit recent onderzoek van het TOP GGz Altrecht Academisch Angstcentrum blijkt dat hun Nederlandse Cognitieve Gedragstherapie-protocol (CGT) zorgt voor een sterke afname van kernsymptomen. De sleutel tot dit succes? Dit wordt nog volop onderzocht. Gedacht wordt dat de intensieve combinatie van CGT sessies en wekelijkse thuisbegeleiding zorgt voor de positieve resultaten.
Omdat Altrecht wil dat deze hulp voor iedereen in Nederland toegankelijk wordt, zetten zij zich actief in om deze kennis en behandelprotocollen te verspreiden binnen de ggz. Een interview met onderzoekers en behandelaren Puck Duits, Mae Nuijs en Marijda Fournier.
Altrecht vervult in Nederland een voorlopersrol bij verzamelstoornissen. Waarom was het uitvoeren en publiceren van dit onderzoek zo belangrijk?
Puck: “Een verzamelstoornis is een ernstige, chronische en vaak ook progressieve aandoening. De impact op het dagelijks leven van mensen is echt groot. In de praktijk zien we regelmatig hoe huizen van onder tot boven dichtgroeien, waardoor kamers onbewoonbaar worden. Dan krijg je ook gevaarlijke situaties door brand- en valgevaar. En doordat mensen zich er enorm voor schamen, ontstaat er zware mentale druk en sociaal isolement.
Verzamelstoornis staat wel sinds 2013 in de DSM-5 als zelfstandige diagnose, maar het gespecialiseerde behandelaanbod in Nederland bleef achter. Met onze pilotstudie onder 36 volwassen patiënten bij Altrecht tonen we nu voor het eerst wetenschappelijk aan dat het door ons ontwikkelde Nederlandse Cognitieve Gedragstherapie-protocol werkt. En daarmee ontkrachten we het misverstand dat mensen met een verzamelstoornis niet te behandelen zijn.”
Wat maakt deze Nederlandse behandelmethode zo anders dan internationale protocollen?
Marijda: “Internationaal richt cognitieve gedragstherapie bij verzamelstoornis zich vooral op wat er binnen de muren van de behandelkamer gebeurt, met een beperkt aantal huisbezoeken. Het unieke én cruciale element van onze aanpak is de intensieve, wekelijkse samenwerking met professionele thuisbegeleiders. Ook gaan we vooraf aan de behandeling op huisbezoek om te zien waar de cliënten tegenaan lopen.
In de behandelkamer leert de cliënt een heleboel over de stoornis, over cognitieve herstructurering en besluitvormingsvaardigheden. Maar het échte werk, het opruimen, beslissen wat er weg moet en het fysiek weggooien, moet in de eigen leefomgeving gebeuren. De thuisbegeleider stapt elke week letterlijk over de drempel om die technieken direct met de cliënt thuis toe te passen. Die brug tussen de theorie op de poli en de praktijk thuis vormt wat mij betreft de echte sleutel tot ons succes.”
Mae, wat zijn de belangrijkste resultaten van het onderzoek en wat betekent dat voor jullie team?
Mae: “De resultaten van de metingen voor en na de behandeling laten een hele duidelijke daling zien op alle kernsymptomen. Zo zagen we een enorme reductie van de hoeveelheid spullen in huis. Kamers en doorgangen die soms jarenlang onbegaanbaar waren, kwamen weer vrij voor normaal gebruik.
Daarnaast kregen cliënten via zogenaamde ‘cue-exposure’ weer grip op de drang om spullen aan te schaffen. Ze gingen bijvoorbeeld bewust oefenen met winkelbezoeken zonder iets te kopen en kochten na behandeling minder vaak spullen dan voor de behandeling. Ook was het voor patiënten makkelijker na de behandeling om afstand te nemen van spullen, terwijl ze daarvoor veel twijfel en emotionele blokkades ervaarden bij het weggooien van spullen.
We zijn ontzettend trots op deze uitkomsten. Het laat zien dat al het harde werk van het behandelteam, de thuisbegeleiders en natuurlijk de cliënten zelf écht het verschil maakt. Het geeft veel voldoening dat we nu wetenschappelijk kunnen onderbouwen dat onze aanpak slaagt. We geven deze kwetsbare groep niet alleen hun leefbare woning terug, maar ook de regie over hun eigen leven.”
Hoe veranderen de gedachten en emoties van patiënten ten opzichte van hun spullen tijdens zo’n traject?
Puck: “Achter het hardnekkig bewaren van spullen schuilen vaak diepgewortelde overtuigingen. Onze studie toont aan dat de behandeling een duidelijke verandering teweegbrengt in die onderliggende cognities. We zagen vooral een flinke afname in gedachten rondom identiteit en gehechtheid, dus het idee dat een voorwerp onderdeel is van wie je bent als persoon.
Ook de overmatige verantwoordelijkheid die mensen voelden om voor objecten te moeten ‘zorgen’ of er een perfecte bestemming voor te vinden, nam af. Ook leerden cliënten dat spullen helemaal niet nodig zijn als geheugensteun. Dierbare herinneringen blijven in jezelf verankerd, ook als het fysieke object er niet meer is. Dat geeft heel veel rust.”
Jullie hebben ook onderzocht of de sociale omgeving, zoals het hebben van een partner of kinderen, invloed heeft op het resultaat. Wat kwam daaruit?
Mae: “Tegen onze eigen verwachting in liet de data zien dat het hebben van een partner of kinderen geen significante invloed had op het uiteindelijke behandelresultaat. In de praktijk zien we namelijk vaak dat partners en gezinsleden na jarenlange problematiek compleet overbelast of machteloos zijn geraakt. Wij hebben dan ook een groepsbijeenkomst met naasten. Op die manier nemen we hen mee in de behandeling. Deelnemers laten weten dat hun naasten op die manier meer inzicht krijgen. Ook zijn ze blij met de handvatten die worden aangereikt.
De uitkomst van het onderzoek onderstreept juist hoe essentieel die gestructureerde, professionele ondersteuning is. De combinatie van CGT door de therapeut en de intensieve begeleiding thuis biedt de cliënt precies de juiste houvast om zelfstandig te herstellen, ongeacht hoe de thuissituatie er op dat moment uitziet.”
Welke stappen zet Altrecht nu om deze inzichten en expertise verder te verspreiden binnen de ggz, Marijda?
Marijda: “We zijn erg trots op onze positie binnen dit vakgebied, maar we willen deze kennis niet voor onszelf houden. Onze ambitie is om de zorg voor deze doelgroep in heel Nederland naar een hoger niveau te tillen. We willen voorkomen dat deze inzichten alleen in wetenschappelijke vakbladen blijven steken.
Om dat te bereiken hebben we een handleiding voor therapeuten en werkboek uitgegeven, en onlangs is het groepsprotocol online beschikbaar gesteld via de uitgeverij. Ook bieden we consultatie, advies en training aan behandelaren en thuisbegeleiders in het land. Dit najaar organiseren we een workshop op het VGCt najaarscongres waarin we professionals trainen in deze specifieke methodiek, en we delen onze resultaten en praktijkvoorbeelden actief op symposia. Ons uiteindelijke doel is om de drempel voor hulp te verlagen, zodat iedereen met een verzamelstoornis in Nederland kan rekenen op een effectieve, bewezen behandeling.”
Vragen & meer informatie
Lees het wetenschappelijke artikel: https://journals.kmanpub.com/index.php/prien/article/view/4725/9069
Bekijk het behandelprotocol: https://www.boom.nl/psychologie/100-1412_Behandelprotocol-Verzamelstoornis
Raadpleeg het net verschenen groepsprotocol: https://www.boom.nl/psychologie/100-20824_Groepsbehandeling-verzamelstoornis
Vragen?
Voor vragen, consultatie en aanmeldingen mail naar: aanmelden_consultatieaaa@altrecht.nl