Of het een beter is dan het ander is lang niet altijd een optelsom van goede en slechte eigenschappen. Soms is één enkel zwaarwegend argument voldoende om de doorslag te geven. Zo lijkt het ook met de gezondheidszorg te gaan. In tijden van schaarste moet de tering naar de nering worden gezet. Gezondheidszorg mag niet te veel kosten. Alle andere argumenten zijn daaraan ondergeschikt of dienen om de klap te verzachten of te verdoezelen.
Inderdaad kunnen veel zaken in de gezondheidszorg effectiever en efficiënter. En waar dan mogelijk is moeten we het ook zeker niet nalaten. Maar het bevorderen van efficiëntie of effectiviteit om de kwaliteit van de behandeling te verbeteren, kent andere invalshoeken dan doelmatigheid en doelgerichtheid vergroten ten einde kosten te besparen. Vaak gaat het gelijk op, even zo vaak staat het ene doel haaks op het andere. Cliënten en patiënten zijn namelijk iets heel anders dan een automodel op de assemblageband. Routine en standaarden zijn maar voor een beperkt deel van een behandeling relevant of gunstig. Ze kunnen slechts de basis zijn waarop een goede behandeling wordt gegrondvest. Net zoals professionele kennis en kunde dat zijn. De diagnose is een fundament en tegelijkertijd enkel de aanjager van een behandeling. Daarna begint pas het echte werk: het inrichten en onderhouden van een op maat gemaakte behandelconstructie die recht doet aan de individuele behandelvraag.
Eigenlijk onttrekt het dilemma zich aan de economische situatie van het moment. Uiteindelijk gaat het om een meer filosofische stellingname: Is elk individu uniek en origineel, of zijn we allen variatie op een beperkt aantal thema’s. We kunnen niet het een vinden en ons naar het ander gedragen.


