Ik dacht er aan om weg te lopen. Dat deed ik uiteindelijk niet omdat ik mijn zes jonge zusjes niet uit het oog wilde verliezen. Ze waren al die jaren mijn oogappeltjes geweest. Zij hielden mij al jaren op de been, omdat ze zoveel aandacht en zorg van me vroegen. Ook al was ik als een tweede moeder voor ze, ik had ze net zo nodig als zij mij.
Nadat ik op kamers was gaan wonen, stond ik opnieuw voor de keuze. Het waren mijn therapiegroepsgenoten die mij vroegen waarom ik nog naar mijn familie ging. Ondanks de psychiatrische ellende waarin ik verkeerde, kreeg ik geen enkele positieve bejegening. Ik werd voor gek versleten, met argusogen aangekeken en achter mijn rug om werd er over mij gepraat. Geen kaartje, belangstellende vraag of aanbod tot ontlasting. De aanhoudende verwachting dat ik elk weekend thuis zou komen. Ondertussen was het ellendigste misschien wel dat mijn zusjes dingen overkwamen waarvan ik juist zo getraumatiseerd was geraakt. Daarom brak ik niet met mijn familie. Ik wilde mijn zusjes kunnen blijven zien. Ze in de gaten houden. Ze positieve aandacht geven. Bang was ik dat ze ook zouden gaan vastlopen, en dan ook alleen zouden zijn, net als ik. Ik wilde ze laten weten dat ze bij me terecht konden als het nodig was. Dat ze niet alleen zouden komen te staan.
Een aantal jaren later was de breuk een feit. Plotseling uit het niets, zo leek het. Ik kon het niet meer opbrengen om mijzelf opnieuw door het slijk te halen. Op dat moment koos ik (eindelijk?) voor mijzelf. Ik wist dat ik mijn zusjes niet meer zou mogen zien. Maar ik wist ook dat ze in betere omstandigheden leefden dan enkele jaren daarvoor. Ik waagde het er op dat mijn band met hen behouden zou blijven. De tranen in de jaren van de breuk golden vooral mijn zusjes. Ik miste ze ontzettend. Mijn kaartjes, smsjes en mailtjes vormden een kleine pleister op de grote wonde. Toch was de breuk met mijn familie goed. Ik kon eindelijk sterker worden, zodat ik mijn familie aan zou kunnen als ik ze weer zou zien.
Vorig jaar zag ik mijn zusjes weer. Zulke mooie meiden, mijn lieve zusjes. Na enkele minuten zo vertrouwd weer. Ook zij waren blij, en ik had de moed om ze te knuffelen. Dat gebeurt nooit in onze familie, maar daar trok ik me niets meer van aan. Lachen, blikken van verstandhouding en verbondenheid, knuffels. Wat een geluk kan een mens ervaren!
Toch waren en zijn er ook zorgen. Zorgen om hun kwetsbare ik. Om de gezinssituatie. Om mijn jongste zusje wier kwetsbaarheid zo naakt zichtbaar is. Twee maanden terug ontving ik een smsje van een van mijn zusjes. De minst kwetsbare, zo leek het. Ze vroeg me om advies. Daar waar ik al die jaren zo bang voor was, vanaf het moment dat ik me besefte dat het gezin niet goed was voor mij en mijn zusjes, gebeurde nu. Ze bleek vastgelopen te zijn. Ik heb een luisterend oor geboden en de hulpverleningsmolen in gang gezet. Haar werkgever, die mijn zusje probeerde te ontslaan, heb ik de pas afgesneden. Maar belangrijker: bijna dagelijks heb ik contact met mijn zusje gezocht. Haar laten weten dat ik er voor haar ben en zal blijven.
Te midden van alle zorgen intrigeert het me dat mijn hart me zo goed weet te gidsen naar wat er nodig is voor mijn zusje. Een onvoorwaardelijke liefde. Krachtig klopt mijn hart als ik voel hoe ik voor ze ga. Ze wil beschermen en aan de hand vast wil houden. Als een beerin voelt het. Wie aan hen komt, komt aan mij. Ook al heb ik zolang voor mijn zusjes gezorgd, het was de familiebreuk die de beerin in mij wakker schudde. God dank.
Wereldmeisje


