Het was niet dat ik een slecht gesprek had met mijn therapeute. Nee, eigenlijk niet. Ik had op een flap-over een grote cirkel gemaakt met daarin allerlei trefwoorden die iets uitdrukten van wat er in mij gebeurt als ik in contact treed met ‘de ander’, en in het bijzonder met mijn therapeute. Doel is om mijn dynamiek zichtbaarder te maken. Woorden te vinden voor die delicate wisselwerking tussen mijn autisme enerzijds en de cognitieve en emotionele verwondingen door mijn traumatiserende jeugd anderzijds. Uiteindelijk wil ik ingangen kunnen vinden om mijn functioneren te verbeteren, zodat ik straks ook daadwerkelijk in staat ben om mijn jeugd te verwerken, ondanks de complexe inbreng van het autisme.
Ik voelde me tijdens het gesprek nog niet verdrietig. Daar had ik geen ruimte voor. Maar daarna werd het andere koek. Dan kan het gesprek landen, de langsgekomen inhoud. En dan voel ik beter hoe ik me ook tijdens het gesprek voelde. Toen ik naar die cirkel keek, met al die trefwoorden. De faalangst, kwetsbaarheid en het onveilig voelen. De disbalans tussen mijn hoofd en lichaam, het verlies van houvast en overzicht, en de moeite om gevoelens te labelen. Het terugtrekken, het verlies aan ‘ik’ en de interne grenzeloosheid. En dan heb ik hier nog maar de helft genoemd van wat in de cirkel staat.
Mijn therapeute kan me steeds beter volgen. Gelukkig. Alleen ben ik steeds vaker bang dat ze zich net als mij tegengehouden gaat voelen. Door het autisme. Dat ze op een dag vast moet stellen dat traumaverwerking er niet meer in zit. Niet uit onwil, maar omdat het onmogelijk is, door mijn niet te stuiten ‘achtbaan-dynamiek’. Bang ben ik dat mijn gebrek aan grip op deze dynamiek gaat samenvallen met die van haar.
Het lijkt op mijn nooit ophoudende angst dat ze op een dag geen zin meer in mijn case heeft, omdat het al zo lang duurt. En aan die angst zit voor mij altijd de dreiging van een bezegeling van mijn opgeslotenheid verbonden.
Het doorgronden van mijn achtbaan-dynamiek en het beïnvloeden ervan zijn voor mij van levensbelang. Hoe moeizamer ik mijzelf duidelijk kan maken, hoe meer de wanhoop gaat toeslaan, en daarmee de angst voor de bezegeling.
Op de terugweg naar huis… toen ik me zo tegengehouden voelde terwijl het gesprek aan het landen was… ik voelde me erg moe worden. Doodmoe, van het gevecht met communicatie. Doodmoe, van het door de dynamiek heen zoeken van contact met mijn therapeute. De harde wind, de geluiden en bewegingen van de mensen, de zon die kwam en ging. Het waren prikkels die er niet meer bij konden. Ik zakte bijna in, zó moe, zó tegengehouden.
De cirkel van mijn dynamiek. Een manier om verder te zoeken naar contact, naar verbetering van mijn functioneren, bedoeld als hulpmiddel op weg naar vrijheid.
Ik ben van buiten een slechte huiler. Geen tranen over mijn wangen, maar destemeer langs de binnenwanden van mijn schedel. Tranen die op de stekende pijn af, van het moeras van mijn hersenen via mijn luchtpijp naar mijn borst stromen.
Zoveel wind. Een achtbaan-dynamiek om van te huilen.
Wereldmeisje


