Zijn leven lang heeft hij hulpverleners grotendeels op afstand gehouden, en ook nu wil hij niets weten van medisch specialisten. Die kunnen trouwens ook niet veel meer voor hem betekenen, zeker als hij blijft drinken. En over dit laatste is hij duidelijk: hij kan niet stoppen, en wil dit ook niet meer gaan proberen. Hij wil zo lang als het gaat in zijn eigen flat zijn, en hoopt daar dood te gaan.
Die flat is er een paar jaar, het gevolg van de stap die hij jaren geleden uiteindelijk toch zette: niet meer op straat willen leven, zorg accepteren, met hulp van ons op zoek gaan naar een eigen woonplek. Hij heeft het niet breed, maar met beperkte middelen is het toch zijn thuis geworden, en zo lang als hij dat kon hield hij dat ook goed bij. Inmiddels is er thuiszorg, en hulp in de huishouding. Er komen woonbegeleiders, en hij heeft een aardige huisarts met wie hij goed kan bespreken wat wel en wat niet aan ‘medische poespas’, en die dus welkom is in zijn huis.
Als altijd ontroert hij me door zijn gastvrijheid. Ziek en slecht ter been eist hij het recht op om thee voor mij te zetten. En in de loop van ons gesprek verbaas ik mij er weer over hoe drank bij de een het geheugen tot nul reduceert, terwijl de ander stervende kan zijn omdat de lever ermee ophoudt, maar helder van geest in gesprek is over de gebeurtenissen in zijn leven van de laatste tijd.
Er is een paar keer contact geweest met zijn zoon. Dat was iets wat hij nog wilde bereiken; ze hadden elkaar al vele jaren niet meer gezien. Het contact is beperkt, en de zoon blijft vrij afhoudend. Dat doet hem verdriet, maar hij snapt dat een kind dat opgroeide met een vader die zoveel dronk en op geen enkele manier ‘vader’ kon zijn, dat niet zomaar terzijde kan schuiven. Dit besef maakt dat hij zijn leven in dit opzicht als mislukt ervaart. En er is geen tijd meer om dat goed te maken, zelfs al zou hij dat willen. “Het ging zoals het ging. Meer zat er niet in bij mij. Dat is wel rot voor mijn zoon”.
Hij drinkt nog wat aan zijn half-literblik bier. Hij mag zich dan wel heel ellendig voelen, maar die haalt hij nog bij de supermarkt op de hoek als het even kan. “Maar”, stelt hij mij gerust, “het zijn er geen tien meer op een dag”.


