Niet zomaar een kind. Een kind dat alle vroegere verdriet goed zal maken. Een kind waar je voor zal zorgen op een manier die je ouders versteld zal doen staan. Die hen zal laten zien dat jij veel beter voor je kindje zorgt dan zij dat voor jou hebben gedaan. Een kind dat niet naar pleeggezinnen zal gaan. Een kind dat de wereld zal laten zien dat je meetelt als burger. Een kind waardoor je eindelijk gelukkig zal worden, omdat je eindelijk het gezin kan vormen dat je zelf nooit had. Zo’n kindje. Daar gaan de gesprekken over.
Moeizame gesprekken, omdat de droom meestal zo heel ver weg ligt van de werkelijkheid. De werkelijkheid, die is: veel psychische problemen, geen huis, geen werk, geen geld, en een vriendje waar het zelfde voor geldt. Een stapeling van onvermogen, en daartegenover die droom van een kind. Een droom die ook nog voorbij gaat aan de minder aantrekkelijke kanten van het hele verhaal: kindjes die huilen, die binden je aan huis, die maken je wakker in de nacht, die hebben last van sigarettenrook, die hebben op vaste tijden eten nodig, die moeten ook verzorgd worden als je hoofdpijn hebt. PFF, denk je dat ik dat niet kan….
Ik ben al op mijn hoede als er steeds gedoe is met anticonceptie. Vergeten, verdraag ik niet, buikpijn. Zonder al te veel omwegen kan ik het onderwerp inmiddels snel op de agenda krijgen, en jawel: daar zijn de dromen over het gelukkige gezinnetje al.
Een beladen onderwerp. Zij vindt dat wij moeilijk doen; wij vrezen een nieuwe generatie die tegen de verdrukking in gehavend op zal moeten groeien (en later weer een kindje zal willen om alles goed te maken).
Vaak leveren die gesprekken verstandige dingen op. Vaak ook niet. Dat bedenk ik allemaal terwijl we haar uitzwaaien, zwanger en wel, naar een passende opvang voor moeder en (aanstaand) kind. Jeugdzorg kijkt mee.


