Het grote voordeel voor de instelling is dat zichtbaar wordt hoe de eigen resultaten zich verhouden tot die van directe collega’s (met de bedoeling van elkaar te leren). Het gunstig effect voor de cliënt is dat hij of zij kan zien waar lotgenoten meer of minder tevreden waren over de behandeling.
Er kleven echter ook nadelen aan deze toetsing. Allereerst is tevredenheid een subjectief en persoonsgebonden fenomeen. Na de oliebollentest regent het altijd ingezonden brieven. Lezer H. eet zich altijd klem aan de kraam van Ranzige Rudie en snapt niet waar het rapportcijfer 3 vandaan komt (Rudi zelf legt de schuld bij een stagiaire die na het bezoek van de keurmeester op staande voet ontslagen is).
Lezeres P. daarentegen vond de droge bollen van Maitre Boulled’heuille totaal niet een 8 waard. Zelfs de hond was er niet gelukkig mee. Bovendien, wat heb je aan zo’n positief rapport van de keurmeester (“smelt weg in de mond zonder dat de olie mee drijft”) als de Maitre in het Limburgse Ubach over Worms zijn nering drijft terwijl je als Groningse bolliefhebber in Oude Pekela woont.
Daarnaast verleidt benchmarking tot gluren bij de buren. Meer nog dan een cijfer op zijn waarde te beoordelen, zal een instelling vooral gespitst zijn op vergelijkend score-onderzoek. Wie heeft het hoogste cijfer? Zelfs als ze dat niet willen, dwingt de marktwerking daar wel toe. Voor je het weet is niet de tevredenheid van de klant belangrijk, maar het cijfer van de concurrent.


