Als het buiten druilt en guur is, zijn we grauw, mat en niet te genieten. ’s Winters zijn we stram, oud en de dagen zat. In het laagseizoen zijn we kwetsbaar want we kunnen onszelf de put in denken als geen ander. Kortom; we kunnen onszelf voor geen cent vertrouwen. We zijn weermannen en weervrouwen in een weerhuisje. We zijn onze eigen weerwolven.
Als het al te bar wordt hebben we hulp nodig. Hulp van onze familie, vrienden of buren. Als het te ingewikkeld wordt of als we geen familie of vrienden hebben gaan we naar de huisarts. En als die ons niet kan helpen, helpt de GGZ.
Eigenlijk is het verbazingwekkend dat de meesten van ons zich de meeste tijd zonder ondersteuning staande kunnen houden. Zo makkelijk maken we het onszelf niet en diegene die het wel doen zijn meestal een ramp voor hun omgeving. Het is altijd wat.
Dat we niet uitgestorven zijn van ellende komt omdat er altijd een mogelijkheid is om overeind te krabbelen, sterker te worden, aan te passen of te overleven tegen de wind in. Geen enkele hulpverlener is zorgenvrij, elke behandelaar draagt iets met zich mee, elke verpleegkundige heeft geheimen, elke therapeut gebruikt een onzichtbare wandelstok. Het zijn net mensen. Hulpverlenen is herkennen. De beste hulpverlener herkent in zijn cliënt iets van zichzelf. Alleen herkenning maakt het mogelijk dat een hulpverlener en een cliënt dezelfde taal spreken. En alleen met een gemeenschappelijke taal kan met elkaar gesproken worden. Me Tarzan, you Jane.


