Een aantal jaren geleden is hij voor het eerst psychotisch geworden: verward en angstig met allerlei denkbeelden over anderen die niet juist waren, maar hij was overtuigd van zijn gelijk. In die tijd werd hij sterk overvraagd op zijn werk, en elke afspraak die daarover werd gemaakt ter bescherming van hem, werd niet nagekomen. Het duurde lang voor hij dat werk kon loslaten: het bood status, en een heldere rol. Dat woog in zijn ogen ruimschoots op tegen de paniek die steeds weer ontstond. Maar uiteindelijk lukte het hem om een andere koers te varen zonder het gevoel te hebben een verliezer te zijn. Hij bezoekt sindsdien enkele dagdelen een dagcentrum voor mensen met een psychiatrische stoornis, en werkt in een bejaardenhuis als voedingsassistent. Dat doet hij geweldig, hij is gelukkig met zijn werk en, minstens zo belangrijk, zijn werk met hem.
Na de eerste psychose hoopte ik met hem en zijn ouders dat het bij die ene episode zou blijven. Na enkele jaren medicatie begonnen we dan ook optimistisch aan een zeer geleidelijke afbouw van zijn antipsychotica. Zijn leven stond immers keurig op poten. Helaas, een aantal maanden later was hij weer verschrikkelijk in de war, en haalden zijn ouders hem naar het ouderlijk huis, omdat hij in zijn flat volsagen in paniek was, en bleef gillen omdat hij zich bedreigd voelde. Binnen redelijke tijd was hij weer de oude, weliswaar een illusie armer: de pillen zouden moeten blijven. Wel zouden we zoeken naar een niet te hoge dosering, waar hij weinig tot geen last van zou hebben. Dat ging jaren goed, al werd wel duidelijk dat niet alleen de omgeving de lat snel te hoog legt bij iemand die vriendelijk is, zijn best doet en gewetensvol werkt: dat doet hij zelf ook. En zo kwam, bijna ongemerkt, de overbelasting weer in zicht. Tegen de tijd dat ouders en ik gealarmeerd raakten (hijzelf nog niet, er kon nog best wat bij) was het al te laat: verwarring, angst en paniek waren heftiger dan ooit tevoren.
En nu zitten we weer bijeen, en weten dat het ergste weer ruimschoots achter de rug is. En ik sta versteld van zijn veerkracht, en zijn discipline om zich te houden aan het ‘rehabilitatieschema’ dat hij met zijn ouders heeft opgesteld en dat, per briefje, om mijn goedkeuring vraagt. Hij glimt bij mijn bewondering. Als ik, voorzichtig, aangeef dat ik denk dat de medicatie wat hoger moet blijven dan in de afgelopen periode, buigt hij zijn hoofd en zegt zacht: “dat dacht ik al”.
Ik slik. Niet alleen hij is een illusie armer.


