Onze zorgen (en die van haar familie) over haar verwardheid wuift ze weg. Zij zijn het zoveelste bewijs van het feit dat ze als een kind wordt behandeld. Als we eens wisten……. Wat we moeten weten krijg ik nog even niet te horen; het is een duidelijk bewijs van mijn onvermogen dat ik dat niet allang ontdekt heb. Vanuit haar positie bezien sta ik, staan wij, niet naast haar maar lijnrecht tegenover haar.
Ik probeer het nog een keer: je bent net terug van een gedwongen opname op de gesloten afdeling, omdat je zo heel erg in de war was toen je gestopt was met de medicijnen. Je mocht met ontslag toen het beter ging, met de afspraak dat je wel je medicatie zou blijven gebruiken, anders zou je weer worden opgenomen. Nu is de dag van de volgende prik aangebroken, en prompt weiger je. Daarmee beland je weer zo op de gesloten afdeling, en dat wil jijzelf, en wij ook, graag voorkomen. Ze zucht, merkbaar geërgerd. En dan, onverwacht, ineens een handreiking: wie geeft dan de prik? Ze kan kiezen uit drie verpleegkundigen vandaag, gelukkig. Dat staat haar aan, al blijft ze het oneens met de medicatie. “Want”, zo wil ze me eindelijk wel verklappen, “inmiddels is wel duidelijk dat ik de heilige Maria ben. Dat moet wel”. En minzaam, als een koningin, knikt ze de uitverkoren verpleegkundige toe: “ben je er klaar voor om mij tot een propje te maken?” Er gaapt nog steeds een grote kloof tussen ons beider waarneming.


